Explosie aan de Amstel

 Een keiharde knal, ik zit rechtop in bed. Glasgerinkel. In gedachte zie ik een grote, zware container voor me die uit een hoogwerker is gevallen. Phoebe, mijn hondje die normaalgesproken bij elk lullig vuurwerkknalletje met de staart tussen de benen een donker hoekje opzoekt, blijft rustig liggen. Misschien heb ik het gedroomd? Even ben ik in twijfel, dan hoor ik een afschuwelijk geschreeuw. 

‘Help! Help mij. Help!’ 

Nu ben ik klaar wakker, hoewel mijn systeem de weg naar helder denken nog niet lijkt te vinden. 

Ik vlieg mijn bed uit en hol naar het raam. Niks te zien, nog wel steeds geschreeuw. Mijn hart pompt inmiddels zo driftig het bloed door mijn aderen, dat het zich in mijn keel lijkt op te hopen. Ik hol onbezonnen naar beneden naar de tuin, daar natuurlijk ook niks te zien, maar nog altijd dat afschuwelijke geschreeuw. Ik moet er naartoe, maar ik ben me opeens heel bewust van het slaapshirt waarin ik loop, dus eerst weer naar boven hollen om een broek aan te trekken en een trui van de stoel te gritsen, zodat het slaperige opschrift van mijn shirt ‘Need Sleep’ niet meer te zien is. Wat je belangrijk vind op zo’n moment. Als ik de deur al uit ben, bedenk ik dat een telefoon toch wel heel handig is in deze situatie, dus hol weer naar binnen en naar boven voor mijn mobiel naast mijn bed. Phoebe ligt nog altijd heel ontspannen op het voeteneind. Geschreeuw.

Een ander had natuurlijk al lang 112 gebeld.

Gelukkig zijn er ook anderen die hun verstand wel gebruiken en is het noodnummer meteen gebeld. Als ik aankom staan er meerdere mensen zich met de situatie bezig te houden, tenminste … er naar te kijken. Het is bij een bootje aan de Amstel. Twee herdershonden, een zwarte en een bruine, lopen onrustig voor de boot heen en weer. Naast de boot hangt een man schreeuwend in de Amstel.

‘Help dan toch.’ 

Hij huilt dat hij een sigaret wou opsteken en dat toen de boel ontplofte. Dat zijn vel er los bij hangt. Hij roept om zijn moeder. Het snijdt door je ziel, onwerkelijk als een droom. Een boot, twee ijsberende honden, een volwassen man die in de rivier hangt en om zijn moeder schreeuwt. Een aantal buren staat aan de overkant van de weg naar hem te kijken, ik sta er nu ook. We kunnen niks doen, we kijken en wachten op de hulpdiensten, terwijl de man wanhopig is: 

‘Help dan toch.’ 

Mijn overbuurvrouw was er als eerste bij, zij houdt ook afstand, maar praat wel met hem, ze heeft zijn moeder aan de telefoon. Blijkbaar wist hij haar telefoonnummer uit zijn hoofd en heeft het de buurvrouw toegeroepen.

Wat is er gebeurd? Is er een gaslek, kan er nóg een explosie komen? Zijn die honden te vertrouwen? Iedereen houdt afstand en de man hangt alleen in de rivier met zijn pijn en ellende. Af en toe roept iemand naar hem dat de ambulance eraan komt. Ik voel me een voyeur. Ik durf ook niks te doen, weet ook niet wat, en als iedereen op afstand blijft, zal daar wel een reden voor zijn. Wie ben ik. Toch loop ik even naar de overkant. Een van de honden, de zwarte, wil de straat oplopen, het lijkt alsof zijn baas vanuit het water naar hem wijst, ik roep de herder zachtjes bij me. Hij luistert en laat zich aaien. Terwijl ik aai, denk ik nog: is dit verstandig? Ik heb geen idee wat er in die hond omgaat, wat zijn karakter is, maar het is fijn om ten minste een beetje liefde aan de hond te kunnen geven. Ik zie, terwijl ik aai, een accu naast me in het gras liggen. Straks ontploft ie, denk ik nog. Ik kijk naar de boot. Het verwondert me dat er geen tekenen van brand te zien zijn. Dan komt eindelijk (het waren achteraf maar een paar minuten) de politie met loeiende sirenes aan. De hond loopt blaffend naar ze toe; de stevige politieagente die uitstapt is alert, maar niet bang.

Ik loop weer terug naar de andere kant van de weg, wil niet in de weg lopen. Al snel komt er nog een politiebusje en een ambulance en een brandweerwagen. Ik voel me een beetje te veel en begin aarzelend weer terug naar huis te lopen. De overbuurman vertelt dat hij aan een botsing dacht toen hij de enorme knal hoorde. Hij was doodsbenauwd, terwijl hij richting het geschreeuw holde, dat er iemand in het water zou liggen en hij er als een held achteraan zou moeten springen. Je kan natuurlijk niet maken om niks te doen als je als eerste aankomt. Daar moest ik een beetje om grinniken. De stoere mannen van tegenwoordig. Als ik langzaam naar huis terugloop kijk ik nog even achterom. Het slachtoffer wordt al kermend op een brancard de ambulance in gereden. Pijn is positief bij brandwonden, denk ik nog bemoedigend.

Thuisgekomen sta ik natuurlijk stijf van de adrenaline. Ik hoor door mijn open raam nog wel wat reuring bij de Amstel en al snel de sirenes van de wegrijdende ambulance. De brandweer moet natuurlijk eerst nog onderzoeken of de situatie veilig is. Zoon is nog wakker, het is inmiddels na enen ’s nachts, dus ik app hem wat er gebeurd is en we bellen even. Hij vraagt een paar keer hoe het met mij gaat, maar ik heb oprecht het idee dat er niet zoveel meer aan de hand is. De arme man is in goede handen en ik kan met een gerust hart gaan slapen.

Toch komt de slaap niet. Steeds opnieuw hoor ik hem jammeren. 

‘Help me dan toch.’ 

Met mijn ogen dicht zie ik een handjevol buurtgenoten aan de overkant van de weg staan, op gepaste afstand naar hem kijken, terwijl hij om zijn moeder roept. Alleen in het koude water. Achteraf. Achteraf had ik natuurlijk meteen de 112 moeten bellen, zodra ik hulpgeroep hoorde. Achteraf had ik naast hem moeten knielen, aan de waterkant, en hem moed moeten inspreken. Ik had kunnen zeggen dat hij nog even vol moest houden, dat we bij hem zouden blijven, dat de hulpdiensten er snel zouden zijn, dat zijn moeder eraan kwam. Ik had tegen hem moeten praten, niet van een afstand, maar dichtbij, zoals een moeder. Zachtjes en liefdevol. Dat stom staren van een afstand. Dat voelt zo erg naar. Achteraf.

De volgende dag zijn er mensen bij zijn boot. Ik vraag ze hoe het met hem gaat. Hij is voor 35% verbrand, op zijn benen, armen en in zijn gezicht. Eerste, tweede en derdegraads verbrandingen. Grote zorg zijn infecties door het rivierwater. Hij is naar het brandwondencentrum in Beverwijk gebracht en wordt kunstmatig in coma gehouden. De bruine herder is weer terug bij zijn oude baas, de politieschool, en de zwarte zit tijdelijk in het asiel totdat ze een oplossing voor hem hebben gevonden. 

Een gasfles, een kapotte aansluiting en ducktape.

In één enorme klap kan je leven zomaar een afschuwelijke wending krijgen.





Reacties